Woordenschat A2 per thema
240 nuttige Nederlandse woorden en uitdrukkingen bij 12 alledaagse onderwerpen op niveau A2, elk met het lidwoord, een voorbeeldzin en een Engelse vertaling. Druk op de afspeelknop om ze te horen.
Dit is onze eigen selectie voor alledaagse onderwerpen. Het is geen officiële woordenlijst van het examen.
Wonen
het huisde huizen
Ons huis staat vlak bij het station.
de kamerde kamers
Mijn kamer heeft een groot raam.
de keukende keukens
Wij eten elke ochtend in de keuken.
de badkamerde badkamers
De badkamer is boven, naast de slaapkamer.
de buurmande buurmannen
Onze buurman helpt ons met de zware kast.
de sleutelde sleutels
Ik kan mijn sleutel nergens vinden.
het huurcontractde huurcontracten
Ik lees het huurcontract samen met mijn partner.
de slaapkamerde slaapkamers
De slaapkamer is klein, maar wel heel licht.
de tuinde tuinen
De kinderen spelen na school in de tuin.
hurenhuurt, huurde, heeft gehuurd
Wij huren een huis in een rustige straat.
verhuizenverhuist, verhuisde, is verhuisd
Wij verhuizen volgende maand naar een ander huis.
schoonmakenmaakt schoon, maakte schoon, heeft schoongemaakt
Mijn broer maakt de keuken elke zaterdag schoon.
wonenwoont, woonde, heeft gewoond
Mijn ouders wonen al jaren in deze buurt.
reparerenrepareert, repareerde, heeft gerepareerd
De man repareert vandaag onze kapotte deur.
aanbellenbelt aan, belde aan, heeft aangebeld
Je kunt bij de buren aanbellen voor hulp.
groot
Wij hebben een groot bed gekocht.
klein
Mijn zus woont in een klein appartement.
rustig
Het is hier rustig in de avond.
beneden
Mijn schoenen staan beneden naast de deur.
op de eerste verdieping
Zij woont op de eerste verdieping van dit gebouw.
Werk
de baande banen
Mijn broer zoekt een baan in de buurt.
de werkgeverde werkgevers
Mijn werkgever vraagt hoe het vandaag met mij gaat.
de werknemerde werknemers
De werknemer begint elke dag om acht uur.
het kantoorde kantoren
Het kantoor is dichtbij, dus ik ga lopen.
het salarisde salarissen
Mijn salaris komt aan het einde van de maand.
de pauzede pauzes
Tijdens de pauze drinken we samen koffie.
de klantde klanten
Deze klant wil een afspraak maken voor morgen.
het roosterde roosters
Mijn rooster verandert elke week op maandag.
de baasde bazen
De baas praat vandaag met alle medewerkers.
werkenwerkt, werkte, heeft gewerkt
Ik werk drie dagen per week in een winkel.
beginnenbegint, begon, is begonnen
Mijn werkdag begint vandaag om half negen.
stoppenstopt, stopte, is gestopt
We stoppen vandaag iets eerder met werken.
verdienenverdient, verdiende, heeft verdiend
Mijn zus verdient genoeg geld voor haar huur.
solliciterensolliciteert, solliciteerde, heeft gesolliciteerd
Ik solliciteer deze week bij een klein bedrijf.
helpenhelpt, hielp, heeft geholpen
Mijn collega helpt mij met een moeilijke taak.
druk
Het is druk op mijn werk op maandag.
vrij
Ik ben vrijdag vrij en blijf lekker thuis.
moe
Na mijn werk ben ik vaak moe.
meestal
Mijn vader werkt meestal in de ochtend.
op tijd
Wij komen elke ochtend op tijd naar het werk.
Gezondheid
de huisartsde huisartsen
De huisarts luistert goed naar mijn verhaal.
het ziekenhuisde ziekenhuizen
Mijn oma ligt nu in het ziekenhuis.
het medicijnde medicijnen
Ik neem dit medicijn na het eten.
de apotheekde apotheken
De apotheek sluit vandaag om zes uur.
de tandartsde tandartsen
Ik ga morgen naar de tandarts voor controle.
het receptde recepten
Met dit recept kan ik medicijnen halen.
de dokterde dokters
De dokter stelt mij een paar vragen.
de klachtde klachten
Ik vertel de dokter over mijn klacht.
de verpleegkundigede verpleegkundigen
De verpleegkundige helpt mijn moeder uit bed.
voelenvoelt, voelde, heeft gevoeld
Ik voel me vandaag al een stuk beter.
hoestenhoest, hoestte, heeft gehoest
Mijn kind hoest vooral in de nacht.
slikkenslikt, slikte, heeft geslikt
Ik slik deze tabletten met een glas water.
rustenrust, rustte, heeft gerust
De arts zegt dat ik meer moet rusten.
slapenslaapt, sliep, heeft geslapen
Ik slaap slecht als ik veel zorgen heb.
opstaanstaat op, stond op, is opgestaan
Ik sta langzaam op omdat ik duizelig ben.
ziek
Mijn dochter is ziek en blijft vandaag thuis.
beter
Het gaat elke dag een beetje beter.
gezond
Elke dag wandelen is gezond voor mijn lichaam.
soms
Ik heb soms hoofdpijn na een lange werkdag.
last hebben van
Ik heb last van mijn rug sinds gisteren.
Instanties
de gemeentede gemeenten
De gemeente stuurt een brief naar mijn adres.
het gemeentehuisde gemeentehuizen
Het gemeentehuis is dicht op zondag.
het formulierde formulieren
Ik vul het formulier thuis rustig in.
het paspoortde paspoorten
Mijn paspoort ligt thuis in de kast.
de briefde brieven
Ik krijg een brief van de gemeente.
de vergunningde vergunningen
Mijn buurvrouw vraagt een nieuwe vergunning aan.
het loketde loketten
Bij het loket werkt vandaag een vriendelijke vrouw.
de handtekeningde handtekeningen
Zet uw handtekening onderaan het formulier.
het adresde adressen
Mijn nieuwe adres staat op deze brief.
aanvragenvraagt aan, vroeg aan, heeft aangevraagd
Zij vraagt een nieuw paspoort aan bij de gemeente.
invullenvult in, vulde in, heeft ingevuld
Ik vul mijn naam en adres in.
opsturenstuurt op, stuurde op, heeft opgestuurd
Wij sturen de papieren morgen per post op.
wachtenwacht, wachtte, heeft gewacht
Ik wacht al tien minuten in de rij.
tekenentekent, tekende, heeft getekend
U moet hier tekenen voor uw nieuwe kaart.
ophalenhaalt op, haalde op, heeft opgehaald
Ik haal mijn paspoort volgende week op.
geldig
Mijn paspoort is nog twee jaar geldig.
duidelijk
De informatie op deze brief is duidelijk.
klaar
Het formulier is klaar voor de afspraak morgen.
eerst
Lees eerst de brief voordat u iets invult.
aan de beurt
U bent nu aan de beurt bij het loket.
Winkelen
de winkelde winkels
De winkel gaat zaterdag om tien uur open.
de prijsde prijzen
De prijs staat duidelijk op het kaartje.
de kortingde kortingen
Met deze korting is de jas goedkoper.
de bonde bonnen
Bewaar de bon als je iets wilt ruilen.
de maatde maten
Deze maat is te groot voor mij.
het geld
Ik heb niet genoeg geld bij me.
de kassade kassa's
We wachten bij de kassa achter twee mensen.
de marktde markten
Op de markt koop ik vaak verse appels.
de aanbiedingde aanbiedingen
Deze aanbieding geldt alleen nog deze week.
kopenkoopt, kocht, heeft gekocht
Ik koop vandaag nieuwe schoenen voor mijn werk.
betalenbetaalt, betaalde, heeft betaald
Kan ik hier met mijn bankpas betalen?
passenpast, paste, heeft gepast
Ik pas deze broek even in de winkel.
ruilenruilt, ruilde, heeft geruild
Je kunt deze trui morgen nog ruilen.
zoekenzoekt, zocht, heeft gezocht
Wij zoeken een cadeau voor onze buurvrouw.
terugbrengenbrengt terug, bracht terug, heeft teruggebracht
Ik breng de kapotte lamp morgen terug.
goedkoop
De appels zijn hier goedkoop en lekker.
duur
Deze jas is duur voor mij.
open
De supermarkt is ook op zondag open.
samen
Wij gaan samen naar de markt vandaag.
in de uitverkoop
Die schoenen zijn vandaag in de uitverkoop.
Verkeer
de fietsde fietsen
Mijn fiets staat buiten voor het huis.
de busde bussen
De bus komt vandaag vijf minuten later.
de treinde treinen
Onze trein vertrekt vanaf het tweede spoor.
het stationde stations
Ik wacht op jou voor het station.
de haltede haltes
Bij deze halte stopt de bus niet.
het kaartjede kaartjes
Je kunt een kaartje kopen bij het station.
de wegde wegen
Deze weg is vandaag gesloten voor verkeer.
de straatde straten
Onze straat is heel druk in de ochtend.
het stoplichtde stoplichten
Bij het stoplicht moet je even wachten.
fietsenfietst, fietste, heeft/is gefietst
Ik fiets elke dag naar mijn werk.
lopenloopt, liep, heeft/is gelopen
Wij lopen samen naar de bushalte.
rijdenrijdt, reed, heeft/is gereden
De chauffeur rijdt rustig door de stad.
overstappenstapt over, stapte over, is overgestapt
Wij stappen bij het station over op de trein.
uitstappenstapt uit, stapte uit, is uitgestapt
Ik stap bij de volgende halte uit.
missenmist, miste, heeft gemist
Als we nu niet gaan, missen we de laatste bus.
laat
De trein is vandaag tien minuten laat.
vol
De bus is vol na het werk.
veilig
Deze weg is veilig voor kleine kinderen.
onderweg
Ik bel je straks als ik onderweg ben.
met het openbaar vervoer
Ik reis met het openbaar vervoer naar mijn werk.
Vrije tijd
de hobbyde hobby's
Mijn hobby is tekenen in mijn vrije tijd.
het zwembadde zwembaden
Het zwembad gaat morgen iets later open.
de filmde films
De film begint over een half uur.
het boekde boeken
Ik lees elke maand een nieuw boek.
de wandelingde wandelingen
Na het eten maken we een korte wandeling.
het parkde parken
In het park spelen veel jonge kinderen.
de muziek
Ik luister graag naar muziek tijdens het koken.
de wedstrijdde wedstrijden
De wedstrijd begint zaterdag om drie uur.
de vriendde vrienden
Mijn vriend Ahmed komt morgen bij ons eten.
lezenleest, las, heeft gelezen
Mijn zus leest elke avond een boek.
zwemmenzwemt, zwom, heeft/is gezwommen
Wij zwemmen op maandag in het zwembad.
wandelenwandelt, wandelde, heeft/is gewandeld
Mijn ouders wandelen vaak in het park.
dansendanst, danste, heeft gedanst
Mijn vrienden dansen graag op dit liedje.
spelenspeelt, speelde, heeft gespeeld
De kinderen spelen buiten met een bal.
afsprekenspreekt af, sprak af, heeft afgesproken
Ik spreek zaterdag met mijn vrienden af.
leuk
Deze film is leuk voor het hele gezin.
gezellig
Het is gezellig om samen koffie te drinken.
saai
Dat spel is saai voor mijn dochter.
graag
Ik ga graag op zaterdag naar het park.
in mijn vrije tijd
In mijn vrije tijd schilder ik kleine bloemen.
Familie
de moederde moeders
Mijn moeder woont vlak bij onze school.
de vaderde vaders
Zijn vader kookt elke zondag voor iedereen.
het kindde kinderen
Het kind speelt graag met de hond.
de broerde broers
Mijn broer woont nu in een andere stad.
de zusde zussen
Mijn zus heeft deze week een vrije dag.
de dochterde dochters
Onze dochter gaat iedere ochtend naar school.
de zoonde zonen
Hun zoon kan al goed fietsen.
de omade oma's
Mijn oma bakt elke vrijdag een taart.
de opade opa's
Mijn opa leest vaak de krant na het eten.
bezoekenbezoekt, bezocht, heeft bezocht
Wij bezoeken onze familie dit weekend.
trouwentrouwt, trouwde, is getrouwd
Mijn vrienden trouwen volgend jaar in juni.
groeiengroeit, groeide, is gegroeid
Ons kind groeit elke maand een beetje.
uitnodigennodigt uit, nodigde uit, heeft uitgenodigd
Ik nodig mijn familie uit voor mijn verjaardag.
vierenviert, vierde, heeft gevierd
Wij vieren de verjaardag van mijn vader thuis.
oppassenpast op, paste op, heeft opgepast
Mijn oma past morgen op mijn zoon.
jong
Mijn broer is nog jong en gaat naar school.
oud
Mijn opa is oud, maar hij fietst nog.
getrouwd
Mijn tante is getrouwd en heeft twee kinderen.
vaak
Wij eten vaak bij mijn ouders op zondag.
op bezoek
Zondag komen onze vrienden bij ons op bezoek.
Leren
de schoolde scholen
De school begint morgen weer na de vakantie.
de lesde lessen
Onze les begint elke dinsdag om tien uur.
de leraarde leraren
De leraar legt de nieuwe woorden rustig uit.
de leerlingde leerlingen
Elke leerling krijgt vandaag een nieuw boek.
het huiswerk
Ik maak mijn huiswerk na het avondeten.
de toetsde toetsen
Morgen hebben we een toets over deze woorden.
het examende examens
Ik ben zenuwachtig voor het examen volgende week.
het antwoordde antwoorden
Mijn antwoord staat op de tweede regel.
de vraagde vragen
Mag ik een vraag stellen over deze tekst?
lerenleert, leerde, heeft geleerd
Ik leer elke dag tien nieuwe woorden.
oefenenoefent, oefende, heeft geoefend
Wij oefenen samen voor het examen morgen.
begrijpenbegrijpt, begreep, heeft begrepen
Ik begrijp deze vraag niet zo goed.
uitleggenlegt uit, legde uit, heeft uitgelegd
De leraar legt de oefening nog eens uit.
schrijvenschrijft, schreef, heeft geschreven
Ik schrijf een korte brief aan mijn leraar.
onthoudenonthoudt, onthield, heeft onthouden
Ik onthoud nieuwe woorden beter met plaatjes.
makkelijk
Deze oefening is makkelijk voor mijn zoon.
moeilijk
Ik vind deze lange tekst best moeilijk.
juist
Is dit het juiste antwoord op de vraag?
opnieuw
Wij lezen de tekst opnieuw na de pauze.
uit mijn hoofd
Ik ken dit korte liedje uit mijn hoofd.
Eten
de boterhamde boterhammen
Ik eet elke ochtend een boterham met kaas.
het broodde broden
Dit brood is nog warm uit de oven.
het eide eieren
Mijn zoon wil een ei bij het ontbijt.
de groentede groenten
Wij eten elke dag veel groente bij het avondeten.
het fruit
In de zomer eten we vaak vers fruit.
het water
Ik drink graag water bij mijn maaltijd.
de soepde soepen
Deze soep is lekker met een stuk brood.
de maaltijdde maaltijden
De maaltijd staat al klaar op tafel.
het restaurantde restaurants
We eten zaterdag met vrienden in het restaurant.
eteneet, at, heeft gegeten
Wij eten meestal om zes uur thuis.
drinkendrinkt, dronk, heeft gedronken
Ik drink elke middag een kopje thee.
kokenkookt, kookte, heeft gekookt
Mijn moeder kookt vanavond rijst met groente.
bakkenbakt, bakte, heeft gebakken
Mijn vader bakt op zondag brood voor ons.
snijdensnijdt, sneed, heeft gesneden
Ik snijd de tomaat in kleine stukken.
bestellenbestelt, bestelde, heeft besteld
Wij bestellen twee glazen water in het restaurant.
vers
De groente is vers van de markt.
lekker
Deze soep is heel lekker met brood.
warm
Het eten blijft warm in deze pan.
genoeg
Wij hebben genoeg gegeten voor vandaag.
eet smakelijk
We zeggen altijd eet smakelijk voordat we beginnen.
Reizen
de vakantiede vakanties
Onze vakantie begint volgende week op maandag.
het hotelde hotels
Het hotel ligt vlak bij het strand.
de kofferde koffers
Mijn koffer staat al klaar bij de deur.
het vliegveldde vliegvelden
Wij komen vroeg aan op het vliegveld.
het vliegtuigde vliegtuigen
Het vliegtuig komt morgen vroeg aan.
de reisde reizen
De reis naar onze familie duurt lang.
het ticketde tickets
Mijn ticket zit in mijn kleine tas.
de grensde grenzen
Bij de grens controleren ze onze paspoorten.
de kaartde kaarten
Ik kijk op de kaart voor de route.
vertrekkenvertrekt, vertrok, is vertrokken
De bus vertrekt morgen heel vroeg.
aankomenkomt aan, kwam aan, is aangekomen
We komen vanavond laat in het hotel aan.
boekenboekt, boekte, heeft geboekt
Mijn zus boekt online een goedkope kamer.
inpakkenpakt in, pakte in, heeft ingepakt
Ik pak mijn koffer de avond ervoor in.
vliegenvliegt, vloog, heeft/is gevlogen
Wij vliegen volgende zomer naar mijn familie.
reizenreist, reisde, heeft/is gereisd
Ik reis graag met de trein door Nederland.
lang
Dat is een lange reis met de trein.
kort
Wij maken dit weekend een korte reis.
mooi
Het uitzicht vanuit onze kamer is mooi.
morgen
Morgen gaan we vroeg naar het vliegveld.
op reis
Volgende maand gaan we met de kinderen op reis.
Media
de telefoonde telefoons
Mijn telefoon ligt thuis op de tafel.
het berichtde berichten
Ik lees jouw bericht pas na mijn werk.
de krantde kranten
Mijn vader leest de krant bij het ontbijt.
het nieuws
Ik kijk elke avond naar het nieuws.
het programmade programma's
Dit programma begint vandaag om acht uur.
de radiode radio's
De radio staat aan tijdens het koken.
de televisiede televisies
De televisie staat vaak aan in de woonkamer.
de fotode foto's
Deze foto laat mijn oude huis zien.
het schermde schermen
Het scherm van mijn telefoon is kapot.
kijkenkijkt, keek, heeft gekeken
Ik kijk in de avond naar een film.
luisterenluistert, luisterde, heeft geluisterd
Wij luisteren iedere ochtend naar de radio.
sturenstuurt, stuurde, heeft gestuurd
Ik stuur mijn moeder vandaag een kort bericht.
ontvangenontvangt, ontving, heeft ontvangen
Ik ontvang elke week een bericht van mijn school.
delendeelt, deelde, heeft gedeeld
Mijn zus deelt een foto met onze familie.
opnemenneemt op, nam op, heeft opgenomen
Ik neem het gesprek met toestemming op.
interessant
Dit programma is interessant voor jonge mensen.
populair
Deze film is populair bij onze vrienden.
langzaam
Ik vind deze film langzaam en een beetje saai.
online
Je kunt deze informatie ook online lezen.
op sociale media
Mijn zus deelt soms foto's op sociale media.